ECLI:NL:HR:2015:303

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 februari 2015
Publicatiedatum
13 februari 2015
Zaaknummer
14/04325
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 119 GwArt. 76 ROArt. 485 SvArt. 483 SvArt. 4 Wet van 22 april 1855
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van beklag over niet-vervolging voormalig minister en rechters wegens ambtsmisdrijven

Klager diende in 2012 een aangifte in over onregelmatigheden bij de afwikkeling van een faillissement en verzocht vervolging van de curator en een voormalig bestuurder. Na afwijzing van dit verzoek en een daaropvolgend beklag, deed klager in 2013 aangifte tegen een voormalig minister van Justitie, drie leden van het gerechtshof Den Haag en een griffier wegens vermeend ambtsmisbruik en inmenging van de politiek in de rechterlijke macht.

De officier van justitie gaf hieraan geen gevolg. Klager diende vervolgens in 2014 een beklag in bij het gerechtshof Den Haag over het niet vervolgen van deze personen. Het hof verklaarde zich onbevoegd en verwees de zaak naar de Hoge Raad.

De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het beklag. Gelet op de Grondwet en relevante wetgeving is de Hoge Raad niet bevoegd om vervolging te bevelen van een voormalig minister, tenzij dit geschiedt bij Koninklijk Besluit of Tweede Kamerbesluit. Ook voor de gerechtshofleden en de griffier geldt dat zij niet onder de bijzondere bevoegdheid van de Hoge Raad vallen. Daarom verklaarde de Hoge Raad het beklag kennelijk niet-ontvankelijk.

De oproeping van klager was niet vereist. De beschikking werd gegeven door de vice-president en vijf raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer.

Uitkomst: Het beklag over het niet vervolgen van de voormalig minister, gerechtshofleden en griffier wordt door de Hoge Raad kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

13 februari 2015
Eerste Kamer
nr. 14/04325
LZ/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[klager],
namens
Stichting Behoud Industrieel Erfgoed
wonende te [woonplaats],
KLAGER.

1.Het beklag

Klager heeft in 2012 aangifte gedaan van onregelmatigheden bij de afwikkeling van een faillissement van een vennootschap en namens de Stichting verzocht om vervolging van de curator en van een voormalig bestuurder van de vennootschap. De officier van justitie heeft dit verzoek niet ingewilligd. Het beklag tegen deze beslissing tot niet-vervolging is door het gerechtshof Den Haag bij beschikking van 16 juli 2013 afgewezen.
Bij brief van 17 oktober 2013 heeft klager bij het Openbaar Ministerie aangifte gedaan tegen een voormalig minister van Justitie en tegen de drie leden van het gerechtshof Den Haag die de beschikking van 16 juli 2013 hadden gegeven, alsmede tegen de (waarnemend) griffier van het hof die deze beschikking mede had ondertekend. Deze aangifte werd gedaan ter zake van “ambtsmisbruik door aansturing en inmenging van Politiek met de Rechterlijke macht”. De officier van justitie heeft aan deze aangifte geen gevolg gegeven.
Bij brief van 3 januari 2014 heeft klager namens de Stichting bij het gerechtshof Den Haag beklag gedaan over het niet vervolgen van de desbetreffende voormalige minister van Justitie, de drie leden van het gerechtshof en de desbetreffende gerechtsambtenaar ter zake van machtsmisbruik door aansturing en inmenging van de politiek met de rechterlijke macht.
Het hof heeft zich bij beschikking van 12 augustus 2014 onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het beklag en heeft de zaak verwezen naar de Hoge Raad.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
Het klaagschrift is eveneens aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het schriftelijk verslag van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beklag.
Klager heeft bij brief op dat verslag gereageerd.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beklag

2.1
Voor zover het beklag betrekking heeft op de voormalig minister van Justitie geldt het volgende.
Ingevolge art. 119 Grondwet Pro en art. 76 RO Pro staan (gewezen) ministers, staatssecretarissen en leden van de Staten-Generaal wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, in eerste en hoogste ressort terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging ter zake van die misdrijven kan slechts worden gegeven bij Koninklijk Besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer (art. 119 Grondwet Pro; art. 4 Wet Pro van 22 april 1855, Stb. 33, houdende regeling der verantwoordelijkheid van de hoofden der Ministeriële Departementen; art. 483 leden Pro 1 en 2 Sv) (vgl. HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO0198, NJ 2011/122).
Nu hieruit volgt dat de Hoge Raad niet bevoegd is opdracht te geven tot vervolging van een door een voormalig minister van Justitie gepleegd ambtsmisdrijf als door klager bedoeld, is het beklag kennelijk niet-ontvankelijk.
2.2
Voor zover het beklag betrekking heeft op voornoemde raadsheren en de griffier, die geen van allen zijn aan te merken als (gewezen) ministers, staatssecretarissen of leden van de Staten-Generaal, geldt het volgende.
Het hiervoor onder 2.1 overwogene brengt mee dat zich hier niet het in art. 485 Sv Pro bedoelde geval voordoet dat een verdachte op grond van art. 119 Grondwet Pro en art. 76 RO Pro voor de Hoge Raad terechtstaat of zal terechtstaan. Reeds daarom is er geen grond voor de vervolging voor de Hoge Raad van mogelijke ‘mede-verdachten van dengene die voor den Hoogen Raad terechtstaat’ als bedoeld in art. 485 Sv Pro, zoals klager kennelijk voor ogen staat. Dat brengt mee dat de Hoge Raad ook in zoverre niet bevoegd is vervolging te bevelen en het beklag ook in zoverre kennelijk niet-ontvankelijk moet worden geacht.
2.3
Het voorgaande brengt mee dat oproeping van klager achterwege kan blijven (vgl. art. 12c Sv).

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beklag.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, A.H.T. Heisterkamp, C.E. Drion en V. van den Brink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
13 februari 2015.