ECLI:NL:HR:2015:2881

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 september 2015
Publicatiedatum
30 september 2015
Zaaknummer
13/03790
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt beschikking inzake beslag op geldbedragen wegens onvoldoende motivering proportionaliteit en subsidiariteit

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 29 september 2015 uitspraak gedaan over een cassatieberoep tegen een beschikking van de Rechtbank Oost-Brabant inzake het beslag op geldbedragen van in totaal €5.350,-. De rechtbank had het klaagschrift van de beslagene gegrond verklaard en de teruggave van het geldbedrag gelast, waarbij zij oordeelde dat voortzetting van het beslag niet noodzakelijk was omdat het recht van verhaal voldoende werd gewaarborgd door beslag op andere panden.

De Hoge Raad herhaalt de overwegingen uit eerdere rechtspraak (ECLI:NL:HR:2013:833) dat bij de beoordeling van een klaagschrift op grond van art. 94a Sv niet ambtshalve een onderzoek naar proportionaliteit en subsidiariteit hoeft plaats te vinden, maar dat de rechter bij de motivering van zijn oordeel wel moet blijken te hebben verricht dat onderzoek indien daaromtrent twijfel bestaat.

De rechtbank had kennelijk wel een dergelijk onderzoek verricht, maar haar motivering was ontoereikend omdat zij slechts stelde dat het recht van verhaal voldoende werd gewaarborgd door beslag op panden en dat voortzetting van het beslag op het geldbedrag niet noodzakelijk was, zonder nadere motivering.

De Hoge Raad vernietigt daarom de bestreden beschikking voor zover deze betrekking heeft op het beslag op de geldbedragen en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor herbehandeling en afdoening op het bestaande klaagschrift. Het overige beroep wordt verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking over het beslag op geldbedragen wegens onvoldoende motivering en wijst de zaak terug voor herbeoordeling.

Uitspraak

29 september 2015
Strafkamer
nr. S 13/03790 B
IC/DAZ
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 5 april 2013, nummer RK 13/141, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
[klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raadsman van de klager, mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft het beroep tegengesproken.
De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot terug- of verwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
Het middel klaagt over de motivering door de Rechtbank van de gegrondverklaring van het namens de klager ingediende klaagschrift voor zover die gegrondverklaring betrekking heeft op de inbeslaggenomen geldbedragen.
2.2.
De Rechtbank heeft het namens de klager ingediende klaagschrift, strekkende onder meer tot teruggave van de onder de klager op de voet van art. 94a Sv inbeslaggenomen geldbedragen van in totaal € 5.350,-, gegrond verklaard. Zij heeft daartoe het volgende overwogen:
"De rechtbank geeft ten aanzien van het inbeslaggenomen geldbedrag aan dat de vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of zich het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. De vraag of het buiten redelijke twijfel is dat klager eigenaar is van het geldbedrag is, nu klager de beslagene is, niet aan de orde.
Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is naar het oordeel van de rechtbank gebleken dat klager wordt verdacht van het witwassen van gelden die van misdrijf afkomstig zijn. Klager zou deze gelden onder andere hebben geïnvesteerd in de aankoop van onroerend goed. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter aan verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. De rechtbank is echter van mening dat het recht van verhaal voldoende wordt gewaarborgd door het beslag dat is gelegd op panden van klager en acht voortzetting van het beslag op voornoemd geldbedrag niet noodzakelijk voor voordeelsontneming. De rechtbank zal het klaagschrift ten aanzien van het geldbedrag eveneens gegrond verklaren en teruggave gelasten van voornoemd geldbedrag."
2.3.
De Rechtbank heeft bij de beoordeling van het klaagschrift van de beslagene gericht tegen een beslag als bedoeld in art. 94a, eerste lid, Sv, de juiste maatstaf aangelegd. De toe te passen maatstaf vergt niet een (ambtshalve) onderzoek met betrekking tot de vraag of voortzetting (onder voorwaarden) van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat in verband met hetgeen door of namens de klager is aangevoerd de rechter in de motivering van zijn beslissing ervan blijk dient te geven een dergelijk onderzoek te hebben verricht (vgl. HR 1 oktober 2013,ECLI:NL:HR:2013:833, NJ 2014/278).
2.4.
De Rechtbank heeft kennelijk aanleiding gezien te onderzoeken of voortzetting van het beslag op de in beslag genomen geldbedragen in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Door in dit verband enkel te overwegen "dat het recht van verhaal voldoende wordt gewaarborgd door het beslag dat is gelegd op panden van klager en voortzetting van het beslag op voornoemde geldbedrag niet noodzakelijk [is] voor voordeelsontneming" heeft de Rechtbank haar oordeel daaromtrent ontoereikend gemotiveerd.
2.5.
Het middel slaagt.

3.Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden beschikking, maar uitsluitend wat betreft de beslissing ten aanzien van de inbeslaggenomen geldbedragen van in totaal € 5.350,–;
wijst de zaak terug naar de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan;
verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
29 september 2015.