De zaak betreft een geschil over de schadeloosstelling bij onteigening van percelen van [A] door de Staat ter uitvoering van het bestemmingsplan "Scheller en Oldeneler Buitenwaarden" binnen het kader van de PKB "Ruimte voor de Rivier". De rechtbank had de schadeloosstelling vastgesteld op € 732.500, inclusief een opslag wegens bijzondere geschiktheid van € 250.000 vanwege de voormalige zandwinplas die als depot voor vrijkomende grond kan dienen.
De Staat betwistte dat het doel van de onteigening ook het storten van overtollige grond omvat en voerde aan dat een plafond aan de vergoeding voor bijzondere geschiktheid moet worden gesteld, mogelijk nihil, omdat [A] geen vergunning zou krijgen voor storting. De Hoge Raad oordeelde dat het doel van de onteigening moet worden uitgelegd in samenhang met het bestemmingsplan en de PKB, waarbij het depot voor grond een onlosmakelijk onderdeel vormt. Ook is de regel over het plafond niet van toepassing buiten gevallen van winbare bodembestanddelen, zodat de vergoeding voor bijzondere geschiktheid terecht werd toegekend.
Daarnaast stelde [A] dat de rechtbank ten onrechte nadelen in verband met de keuze van de Staat om grond te storten heeft gesaldeerd met voordelen van de bijzondere geschiktheid, in strijd met de eliminatieregel van art. 40c Ow. De Hoge Raad stelde dit bezwaar terecht vast en vernietigde het vonnis van de rechtbank Overijssel, verwijzend voor verdere behandeling naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Ten slotte oordeelde de Hoge Raad dat de vergoeding wegens bijzondere geschiktheid niet mag worden betrokken bij de waardebepaling van het overblijvende na onteigening, omdat dit anders de schadeloosstelling zou vertekenen. De Hoge Raad wees het beroep van de Staat af en vernietigde het vonnis in de zaak van [A].