Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
22 september 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie van de Officier van Justitie tegen een beschikking van de Rechtbank Limburg die het klaagschrift van de belanghebbende gegrond verklaarde. Het klaagschrift strekte tot teruggave van een inbeslaggenomen geldbedrag en opheffing van derdenbeslag op banktegoeden.
De rechtbank had het klaagschrift gegrond verklaard op basis van aanwijzingen die niet uitsloten dat de belanghebbende enige betrokkenheid bij een hennepplantage had, maar oordeelde dat het niet hoogst onwaarschijnlijk was dat een veroordeling zou volgen. Ook was het volgens de rechtbank onwaarschijnlijk dat een veroordeling voor witwassen zou worden uitgesproken.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift niet de juiste maatstaf had toegepast zoals voorgeschreven in artikel 94 en Pro 94a Sv. De rechtbank had onvoldoende gemotiveerd waarom het beslag moest voortduren in het licht van het belang van de strafvordering en de kans op veroordeling.
Daarom vernietigde de Hoge Raad de beschikking en verwees de zaak terug naar de Rechtbank Limburg voor een nieuwe beoordeling van het klaagschrift op basis van de juiste maatstaf.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug voor herbeoordeling van het klaagschrift op de juiste maatstaf.