Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
Het hof is van oordeel dat verdachte niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar hoger beroep omdat dit tardief is ingesteld. Dit oordeel berust op twee gronden.
1. De inleidende dagvaarding om te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 3 januari 2014 is op 26 november 2013 betekend aan verdachte in persoon. De politierechter heeft de strafzaak op 3 januari 2014 inhoudelijk behandeld en op diezelfde datum mondeling einduitspraak gedaan Uit de onderhavige stukken volgt dat verdachte hoger beroep heeft aangetekend op 28 maart 2014.
2. Ter terechtzitting van de politierechter van 20 februari 2014 was verdachte aanwezig, bijgestaan door haar raadsman. Ter zitting bleek dat de onderhavige strafzaak niet op de rol stond en derhalve niet behandeld zou worden. De rechtsgeleerd raadsman, die zich had voorbereid op de verdediging van verdachte, in de onderhavige strafzaak, heeft na kennisneming van het vorenstaande geen actie ondernomen.
Ter zake het onder 1. vermelde kon verdachte volgens de wet gedurende veertien dagen na de uitspraak van het vonnis (zijnde 3 januari 2014) daartegen hoger beroep instellen. Het hoger beroep is pas na het verstrijken van die termijn ingesteld.
Ter zake het onder 2. vermelde is het hof van oordeel dat op 20 februari 2014 aan de raadsman van verdachte duidelijk is geworden dat de onderhavige strafzaak - anders dan op 18 december 2013 bij gelegenheid van de behandeling van een andere strafzaak was beslist - die dag niet werd behandeld. Deze omstandigheid had - mede in aanmerking nemende dat de oorspronkelijke dagvaarding tegen 3 januari 2014 niet was ingetrokken - voor de raadsman aanleiding moeten zijn nader onderzoek in te stellen naar het verloop dan wel afloop van de onderhavige strafzaak. Het hof stelt vast dat de raadsman deze onderzoeksverplichting niet is nagekomen. Hierdoor is ook op of na 20 februari 2014 niet tijdig bekend geworden dat de onderhavige strafzaak op 3 januari 2014 inhoudelijk is behandeld en op dezelfde datum een einduitspraak is gevolgd. Gelet op het vorenstaande kan niet worden volgehouden dat het hoger beroep op 28 maart 2014 is ingesteld binnen 14 dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat verdachte geacht kan worden bekend te (kunnen) zijn met de in de onderhavige strafzaak door de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland gedane einduitspraak.
3.Slotsom
4.Beslissing
22 september 2015.