Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
8 september 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij werd veroordeeld voor opzetheling van een kentekenplaat die afkomstig was van een gestolen motorscooter. De verdachte was tijdens een zitting in hoger beroep niet aanwezig omdat hij in voorlopige hechtenis in België verbleef. Het hof besloot een getuige, de verbalisant, te horen zonder de zaak aan te houden voor aanwezigheid van de verdachte.
De verdediging stelde dat dit een onaanvaardbare inbreuk was op het recht van de verdachte om bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig te zijn, zoals gewaarborgd in artikel 6 EVRM Pro. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof deze beslissing voldoende had gemotiveerd en dat de raadsvrouwe van de verdachte ten volle in de gelegenheid was geweest om de getuige te ondervragen tijdens de zitting.
Ten aanzien van de bewezenverklaring bevestigde de Hoge Raad het oordeel van het hof dat de verdachte wist dat de kentekenplaat een door misdrijf verkregen goed betrof. Dit was gebaseerd op de verklaringen van de verbalisanten en de omstandigheden waaronder de verdachte zich gedroeg, waaronder het verbergen van de kentekenplaat in een plastic tas en het afsluiten van het hek van de binnentuin.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het arrest van het hof, waarmee de veroordeling van de verdachte in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van de verdachte voor opzetheling en oordeelt dat het horen van een getuige zonder aanwezigheid van de verdachte geen onaanvaardbare inbreuk op het aanwezigheidsrecht vormt.