Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
1 september 2015.
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin hij niet-ontvankelijk werd verklaard in hoger beroep. Het hof oordeelde dat de verdachte op de hoogte was van de zittingsdatum omdat zijn raadsman een brief had gestuurd waarin de zittingsdatum werd genoemd. Omdat het hoger beroep na de wettelijke termijn van veertien dagen werd ingesteld, verklaarde het hof het beroep niet-ontvankelijk.
De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof deze conclusie onvoldoende had gemotiveerd. De enkele omstandigheid dat de raadsman zich op een bepaalde wijze had gesteld in een brief, betekent niet automatisch dat de zittingsdatum de verdachte tevoren bekend was zoals vereist in art. 408 lid 1 sub c Sv Pro. De Hoge Raad verwees naar eerdere jurisprudentie ter verduidelijking.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het bestreden arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe berechting en beslissing. Dit arrest werd gewezen door de strafkamer van de Hoge Raad op 1 september 2015.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.