Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met uitsluiting van gemeenschap en een periodiek verrekenbeding. Zij sloten een aanvullende akte waarin de vrouw recht kreeg op teruggave van een geïnvesteerd bedrag bij einde huwelijk. Bij echtscheiding sloten zij een convenant waarin deze regeling werd bevestigd.
De man verzocht vernietiging van het convenant wegens dwaling over de waarde van de te verdelen goederen. De rechtbank wees dit af, maar het hof vernietigde een deel van het convenant en legde een betalingsverplichting op aan de vrouw. Het hof paste daarbij de algemene dwalingsregels uit Boek 6 toe, terwijl volgens de Hoge Raad deze niet van toepassing zijn op verdelingen van gemeenschappen, waarvoor Boek 3 geldt.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte de algemene dwalingsregeling toepaste en dat de vrouw een vergoedingsrecht heeft op grond van de overeenkomst tussen partijen, die prevaleert boven de wettelijke regeling. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep van de vrouw tegen de latere beschikking niet-ontvankelijk, vernietigde de eerdere beschikking van het hof en verwees de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling.