Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de middelen
4.Beslissing
10 juli 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verzoeker tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag inzake de beëindiging van de schuldsanering zonder schone lei, zoals bedoeld in artikel 358 lid 2 van Pro de Faillissementswet (Fw).
De Hoge Raad verwijst naar het vonnis van de rechtbank Rotterdam en het arrest van het gerechtshof Den Haag voor het geding in feitelijke instanties. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep, waarop de advocaat van verzoeker heeft gereageerd.
De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en dat geen nadere motivering nodig is, aangezien de klachten geen rechtsvragen oproepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Daarom wordt het cassatieberoep verworpen en blijft het arrest van het gerechtshof Den Haag in stand. Het arrest is gewezen door de raadsheren van Buchem-Spapens, Drion, Polak en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer de Groot.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof blijft in stand.