ECLI:NL:PHR:2015:597

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 mei 2015
Publicatiedatum
18 mei 2015
Zaaknummer
15/00868
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 354 FwArt. 358 lid 2 FwArt. 288 lid 3 FwArt. 2 lid 1 sub a WUV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsanering zonder toekenning van de schone lei wegens toerekenbare tekortkomingen

Verzoeker werd bij vonnis van de rechtbank Rotterdam in 2011 onder de schuldsaneringsregeling geplaatst. In 2014 stelde de rechtbank vast dat verzoeker toerekenbaar tekort was geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen, waardoor de regeling werd beëindigd zonder toekenning van de schone lei. Het hof Den Haag bekrachtigde dit oordeel in februari 2015, stellende dat verzoeker onvoldoende actief was geweest in het verstrekken van informatie en het solliciteren en dat hij bovenmatige nieuwe schulden had laten ontstaan.

Verzoeker voerde in hoger beroep onder meer aan dat zijn psychische omstandigheden, waaronder PTSS, hem niet toerekenbaar maakten. Het hof oordeelde echter dat dit onvoldoende was onderbouwd met medische stukken. Tevens wees het hof op de herhaalde waarschuwingen en de laatste kans die verzoeker had gekregen om de regeling succesvol af te ronden. Het beroep op gelijkstelling met een vervolgingsslachtoffer en de hardheidsclausule werd eveneens verworpen.

De Hoge Raad concludeert dat het hof geen essentiële grief heeft gepasseerd en dat het oordeel over toerekenbaarheid voldoende gemotiveerd en begrijpelijk is. Het cassatieberoep wordt daarom verworpen, waarmee de beëindiging van de schuldsanering zonder schone lei definitief is.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de schuldsanering wordt beëindigd zonder toekenning van de schone lei wegens toerekenbare tekortkomingen.

Conclusie

15/00868
Mr. L. Timmerman
Zitting: 8 mei 2015
Conclusie inzake:
[verzoeker],
verzoeker tot cassatie

1.Feiten en procesverloop

1.1
Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 december 2011 is ten aanzien van verzoeker tot cassatie (hierna: “[verzoeker]”) de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard.
1.2
Bij vonnis van 18 december 2014 heeft voornoemde rechtbank ex art. 354 Fw Pro vastgesteld dat [verzoeker] toerekenbaar in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten als gevolg waarvan ex art. 358 lid 2 Fw Pro de toepassing van de schuldsaneringsregeling is geëindigd zonder toekenning van de schone lei.
1.3
Op het door [verzoeker] ingestelde hoger beroep heeft het gerechtshof Den Haag bij arrest van 12 februari 2015 voornoemd vonnis van 18 december 2014 bekrachtigd. Het hof heeft daartoe (in rov. 4) als volgt overwogen.
1.4
Het hof stelt voorop dat van personen ten aanzien van wie de schuldsanering is uitgesproken mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste inspannen om te voldoen aan de daaraan verbonden verplichtingen. Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat [verzoeker] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn informatie- en sollicitatieverplichting en dat hij toerekenbaar bovenmatige nieuwe schulden heeft laten ontstaan. Vanaf augustus 2014 heeft [verzoeker] een onvoldoende actieve houding getoond ten aanzien van de informatieverzoeken van de bewindvoerder. Verder heeft [verzoeker] de bewindvoerder niet (tijdig) medegedeeld dat hij van april tot en met december 2013 inkomsten uit werk had en daarnaast heeft hij onvoldoende aantoonbaar gesolliciteerd. Voorts heeft [verzoeker] toerekenbaar bovenmatige schulden laten ontstaan bij SoZaWe (betreffende de terugvordering van ten onrechte ontvangen uitkering) en bij Zilveren Kruis Achmea (betreffende achterstallige premies).
[verzoeker] is herhaaldelijk op de tekortkoming(en) en de mogelijke gevolgen daarvan gewezen zowel door de bewindvoerder als door de rechter-commissaris, waarbij [verzoeker] een laatste kans is gegeven om de schuldsaneringsregeling alsnog tot een goed einde te brengen.
Dat al deze tekortkomingen (aldus nog steeds het hof) [verzoeker] vanwege zijn psychische omstandigheden niet kunnen worden toegerekend, is bij gebreke van enige onderbouwing met medische stukken onvoldoende aannemelijk geworden.
Gelet op de herhaaldelijke signalen van de bewindvoerder aan [verzoeker] dat de schuldsaneringsregeling niet volgens verwachting verliep en de laatste kans die [verzoeker] heeft gekregen, ziet het hof geen aanleiding om de schuldsaneringsregeling te verlengen, waarbij tevens meeweegt dat niet inzichtelijk is gemaakt hoe [verzoeker] de nieuwe schulden (in totaal circa € 9.000,-) verwacht te kunnen inlopen met een verlenging van de regeling.
1.5
[verzoeker] heeft tegen voornoemd arrest cassatieberoep ingesteld bij verzoekschrift, (tijdig [1] ) ingekomen ter griffie van de Hoge Raad op 20 februari 2015.
1.6
Namens [verzoeker] is aangegeven (op p. 1 van het verzoekschrift tot cassatie) dat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, die op 5 februari 2015 bij het hof heeft plaatsgevonden, is opgevraagd en dat [verzoeker] zich uitdrukkelijk het recht voorbehoudt nadere cassatiemiddelen in te dienen na ontvangst van dit proces-verbaal.
Bij brief van 3 maart 2015 heeft de Griffier van de Hoge Raad voornoemd proces-verbaal naar de advocaat van [verzoeker] gestuurd en hem tot en met 17 maart 2015 in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. [verzoeker] heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

2.Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1
Het verzoekschrift tot cassatie bevat twee cassatiemiddelen, aangeduid als onderdelen 1 en 2.
2.2
Onderdeel 1is gericht tegen de overwegingen van het hof (in rov. 4, eerste en tweede volzin) dat (kort gezegd) schuldenaren in de schuldsaneringsregeling zich tot het uiterste moeten inspannen en dat [verzoeker] toerekenbaar is tekortgeschoten. Het middel klaagt dat het hof een verkeerde maatstaf heeft aangelegd althans zijn oordeel onvoldoende duidelijk en/of begrijpelijk althans onvoldoende heeft gemotiveerd door niet te oordelen dat sprake is van toerekenbaarheid dan wel een essentiële grief heeft gepasseerd.
2.3
De door het middel genoemde essentiële grief is opgenomen in het beroepschrift onder 3-13 en betreft de door het hof in rov. 2 aangehaalde (reeds bij de toelating bekend zijnde) persoonlijke omstandigheden van [verzoeker]:
“[verzoeker] is een Koerdische Irakees met een geringe opleiding. Hij heeft 12 jaar verscholen geleefd en heeft gestreden tegen het bewind van Saddam Hoessein. Hij heeft vanaf 1989 ruim drie jaar vastgezeten in de Abu Ghraibgevangenis en is in 1995 neergeschoten. In 1997 is [verzoeker] Irak ontvlucht en hij heeft tot 2007 (in een asielzoekerscentrum) gewacht op een verblijfsvergunning. Bij de inburgering is geen aandacht besteed aan solliciteren. Door deskundigen is hij vanwege PTSS verwezen naar Centrum ’40-’45, maar vanwege de hoge reiskosten kon hij de behandeling niet betalen. Door de recente gebeurtenissen in Irak rondom IS en het verzet daartegen heeft [verzoeker] last van nachtmerries en herbelevingen.
Ook de echtgenote van [verzoeker] heeft als vluchtelinge last van psychische problemen. Dat zij aanvankelijk geen verblijfsvergunning had, had negatieve gevolgen voor de hoogte van het gezinsinkomen. De nieuwe schulden zijn daarvan het gevolg.”
2.4
Het middel gaat eraan voorbij dat het hof in rov. 4, vierde volzin op p. 3 wel degelijk ingaat op voornoemde persoonlijke omstandigheden van [verzoeker]. Het hof overweegt ten aanzien van deze persoonlijke omstandigheden als volgt:
“Dat al deze tekortkomingen [verzoeker] vanwege zijn psychische omstandigheden niet kunnen worden toegerekend, is bij gebreke van enige onderbouwing van dat punt met medische stukken, onvoldoende aannemelijk geworden.”
Van het passeren van een essentiële grief door het hof is dan ook geen sprake, zodat de klacht faalt.
2.5
Het hof heeft voorts wel degelijk geoordeeld dat – bij gebreke van enige onderbouwing met medische stukken – sprake is van toerekenbaarheid, zie de hierboven aangehaalde overweging van het hof ten aanzien van de psychische omstandigheden van [verzoeker]. Dit oordeel – dat feitelijk van aard is – is niet onvoldoende duidelijk en/of begrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd en van een verkeerde maatstaf is geen sprake, zodat het middel ook op dit punt faalt.
2.6
Het middel wijst erop dat voornoemde persoonlijke omstandigheden van [verzoeker] reeds bij de toelating tot de schuldsanering bekend waren. Dit gegeven doet echter niet af aan het oordeel van het hof dat gedurende de schuldsanering [verzoeker] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen en dat onvoldoende aannemelijk is dat zijn persoonlijke omstandigheden aan toerekenbaarheid van deze tekortkomingen in de weg staan.
2.7
Hetgeen het middel voorts aanvoert omtrent PTSS (Post Traumatisch Stress Syndroom) doet niet af aan het oordeel van het hof dat bij gebreke van enige onderbouwing hiervan met medische stukken onvoldoende aannemelijk is geworden dat de tekortkomingen niet aan [verzoeker] kunnen worden toegerekend.
2.8
In
onderdeel 2klaagt het middel dat het hof ten onrechte het beroep van [verzoeker] op gelijkstelling met een vervolgde krachtens art. 2 lid 1 sub a van Pro de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV) niet heeft gehonoreerd althans niet gemotiveerd heeft verworpen.
2.9
Het middel mist belang. Toepassing van de WUV zou namelijk niet tot het alsnog toekennen van de schone lei leiden. Het middel kan dan ook niet tot cassatie leiden.
2.1
Ten slotte klaagt het middel dat het hof het beroep van [verzoeker] op de hardheidsclausule niet heeft gehonoreerd. De hardheidsclausule ex art. 288 lid 3 Fw Pro – de beoordeling of voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen en zich in een stabiele situatie bevindt – kan door een rechter toegepast worden bij de beoordeling van een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. In casu draait het echter om de schone lei aan het einde van de schuldsanering en is de hardheidsclausule dan ook niet aan de orde, zodat het middel niet tot cassatie kan leiden.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Ingevolge art. 351 lid 5 jo Pro. 355 jo. 354 Fw is de cassatietermijn acht dagen.