Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2015:1811

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juli 2015
Publicatiedatum
8 juli 2015
Zaaknummer
14/06224
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.81 Wet IB 2001Art. 3.82 Wet IB 2001Art. 10 lid 1 Wet LB 1964Art. 10 lid 5 Wet LB 1964Art. 32ba Wet LB 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt heffing inkomstenbelasting over ontslaguitkering ondanks eindheffing werkgever

Belanghebbende stelde zich in hoger beroep tevergeefs op het standpunt dat de aan hem opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2009 onterecht was. Het Gerechtshof Den Haag had de aanslag bevestigd. Belanghebbende ging in cassatie tegen dit oordeel.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van belanghebbende niet tot cassatie konden leiden. Dit omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling, zoals bedoeld in artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad bevestigde dat de ontslaguitkering terecht in de heffing van de inkomstenbelasting is betrokken, en dat een eventuele eindheffing bij de werkgever daaraan niet afdoet. De Hoge Raad wees het beroep in cassatie ongegrond en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.

Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2015.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de heffing van inkomstenbelasting over de ontslaguitkering bevestigd.

Uitspraak

10 juli 2015
nr. 14/06224
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 11 november 2014, nr. BK‑13/01439, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 13/4060) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2009 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 31 maart 2015 geconcludeerd tot het ongegrond verklaren van het beroep in cassatie.

2.Beoordeling van de klachten

De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (vgl. de onderdelen 5.8 en 5.9 van de conclusie van de Advocaat-Generaal).

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2015.