ECLI:NL:HR:2015:177

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 januari 2015
Publicatiedatum
29 januari 2015
Zaaknummer
14/02365
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Boek 1 Burgerlijk Wetboek
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging hofbeslissing partneralimentatie wegens onjuiste behoefteberekening en verwijzing voor terugbetalingsverplichting

De zaak betreft een geschil over partneralimentatie na echtscheiding tussen een man en een vrouw die in gemeenschap van goederen waren gehuwd. De rechtbank stelde de bijdrage van de man aan de levensonderhoudskosten van de vrouw op nihil, maar het hof bepaalde deze op €434 per maand vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

De vrouw had een behoefte van €2.529,32 netto per maand opgevoerd, terwijl zij een netto besteedbaar inkomen had van €2.113,--. Het hof concludeerde daarom dat zij een bijdrage van de man nodig had. De man stelde cassatie in tegen deze beslissing.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof de behoefte van de vrouw onjuist had berekend. De correcte optelsom van de door het hof vastgestelde posten bedroeg €2.079,32, wat lager is dan haar netto besteedbaar inkomen. Hierdoor was er geen behoefte aan een bijdrage van de man.

De Hoge Raad vernietigde het hofarrest voor zover het de alimentatie vaststelde en wees de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch om te beoordelen of de vrouw een terugbetalingsverplichting heeft voor reeds betaalde bijdragen. De overige klachten van de man werden niet behandeld.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de alimentatievaststelling van het hof en verwijst de zaak voor nader onderzoek naar terugbetalingsverplichting.

Uitspraak

30 januari 2015
Eerste Kamer
14/02365
RM/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. L. Kelkensberg, thans mr. J.P. Heering,
t e g e n
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak 326889/FA RK 12-4067 van de rechtbank Utrecht van 19 december 2012;
b. de beschikking in de zaak 200.123.310 en 200.123.352 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 februari 2014.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot vernietiging van de beschikking van het hof voor zover deze betrekking heeft op de vaststelling van de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw en tot afdoening van de zaak zoals aangegeven onder 2.5 van de conclusie.

3.Beoordeling van het middel

3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De man en de vrouw zijn op 21 september 2001 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.
(ii) Tussen partijen is echtscheiding uitgesproken.
De echtscheidingsbeschikking is op 2 april 2013 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.2.1
In dit geding heeft de vrouw onder meer verzocht ten laste van de man een bijdrage in haar levensonderhoud vast te stellen. De rechtbank heeft die bijdrage met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand op nihil gesteld.
3.2.2
Het hof heeft bepaald dat de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 2 april 2013 op € 434,-- per maand wordt vastgesteld. Daartoe heeft het hof overwogen dat de behoefte van de vrouw € 2.529,32 netto per maand bedraagt en dat zij een netto besteedbaar inkomen heeft van € 2.113,- per maand, zodat zij behoefte heeft aan een bijdrage van de man ter hoogte van € 416,32 netto per maand. Uit een ‘jusvergelijking’ volgt dat de man € 434,-- per maand aan partneralimentatie dient te voldoen.
3.3
Onderdeel 1 van het middel klaagt onder meer dat het hof de behoefte van de vrouw onjuist heeft berekend. Deze klacht is gegrond. Het hof heeft in rov. 5.6 en 5.7 de door de vrouw in het kader van de berekening van haar behoefte opgevoerde posten afzonderlijk besproken en vastgesteld tot welk bedrag met deze posten daarbij rekening wordt gehouden. Wanneer de aldus door het hof vastgestelde bedragen bij elkaar worden opgeteld, resulteert dit in een bedrag van € 2.079,32 en niet, zoals het hof heeft berekend, in een bedrag van € 2.529,32. Gelet op het door het hof vastgestelde netto besteedbaar inkomen van de vrouw van € 2.113,-- per maand, had het hof dan ook tot het oordeel moeten komen dat de vrouw geen behoefte heeft aan een bijdrage van de man.
3.4
Het voorgaande brengt mee dat het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage van de man in haar kosten van levensonderhoud dient te worden afgewezen. De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.
3.5
Verwijzing dient te volgen teneinde vast te stellen of op de vrouw een terugbetalingsverplichting rust ter zake van door de man ter uitvoering van de beschikking van het hof aan de vrouw betaalde bijdragen in haar levensonderhoud (vgl. HR 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1001, NJ 2014/225).

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 februari 2014 voor zover daarin is bepaald dat de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 2 april 2013 op € 434,-- per maand wordt vastgesteld, de toekomstige termijnen bij vooruitbetaling te voldoen;
verwijst de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.V. Polak en T.H. Tanja van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
30 januari 2015.