Uitspraak
1.Geding in cassatie
3. Beslissing
30 juni 2015.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De advocaat van de verdachte diende een schriftuur in, waarop de Advocaat-Generaal adviseerde het beroep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO).
De Hoge Raad heeft het beroep inhoudelijk beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep en de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
Daarom heeft de Hoge Raad, na overleg met de Procureur-Generaal, het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Dit arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 30 juni 2015.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en gebrek aan kans van slagen.