Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 24 juni 2014, nr. 14/00001, betreffende de afwijzing van een verzoek tot herziening.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden betreffende de afwijzing van een verzoek tot herziening. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende per aangetekende brief gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en een betalingstermijn van vier weken gesteld. Het griffierecht is echter niet voldaan binnen deze termijn.
Vervolgens is belanghebbende opnieuw per aangetekende brief in de gelegenheid gesteld om een verklaring te geven voor het niet tijdig betalen van het griffierecht, maar hier is geen gebruik van gemaakt. Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep in cassatie daarom niet-ontvankelijk verklaard.
De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het arrest is op 30 januari 2015 in het openbaar uitgesproken door raadsheren en de waarnemend griffier.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht.