Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Partijen in het geding in cassatie
3.Het verloop van het geding in cassatie
4.Beoordeling van het verzoek omtrent de kosten in cassatie
5.Beslissing
19 juni 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen Achmea en een verzekerde over de verrekening van uitkeringen uit een arbeidsongeschiktheidsverzekering met schadevergoedingen na een ongeval op een bouwplaats. Achmea en BTB Riedas erkenden aansprakelijkheid, maar waren het niet eens over de verrekening van de uitkeringen die De Amersfoortse aan de verzekerde had gedaan.
De rechtbank stelde vast dat de uitkeringen niet in mindering mochten worden gebracht op de schadevergoeding. Het hof bekrachtigde deze beslissing en oordeelde dat het hoger beroep onjuist was ingeleid met een dagvaarding in plaats van een verzoekschrift, waardoor de uitspraak een beschikking werd in plaats van een arrest.
Achmea stelde cassatieberoep in, maar de Hoge Raad oordeelde dat dit beroep niet-ontvankelijk was omdat het hoger beroep een tussenuitspraak betrof waarvoor geen verlof was verleend. Tevens werd vastgesteld dat de procedure op grond van art. 1019cc lid 3 Rv een dagvaardingsprocedure is, en dat de kosten in cassatie niet op grond van art. 1019aa Rv begroot dienen te worden.
De Hoge Raad veroordeelde Achmea tot betaling van de proceskosten en deed uitspraak bij arrest. De procedure verduidelijkte de toepassing van bijzondere procesregels bij deelgeschilprocedures en de voorwaarden voor cassatieberoep tegen tussenuitspraak.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart Achmea niet-ontvankelijk in het cassatieberoep en veroordeelt haar in de proceskosten.