Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
16 juni 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij werd veroordeeld voor witwassen van een geldbedrag van €3.100,- dat in zijn woning werd aangetroffen. Het hof oordeelde dat het geld afkomstig was uit enig misdrijf, maar niet aannemelijk was dat dit onmiddellijk uit een door verdachte zelf gepleegd misdrijf kwam.
De bewijsvoering bestond uit een proces-verbaal van een huiszoeking waarin onder meer handelshoeveelheden XTC-pillen, een vuurwapen, munitie en voorwerpen vermoedelijk afkomstig van een hennepplantage werden aangetroffen, samen met grote geldbedragen. Verdachte gaf verklaringen over legale herkomst van een deel van het geld, maar kon het resterende bedrag van €3.100,- niet verklaren.
De Hoge Raad herhaalt de jurisprudentie dat bij witwassen van voorwerpen die onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig zijn, specifieke motiveringsvereisten gelden. In dit geval was dat niet aan de orde, omdat het hof aannemelijk achtte dat het geld uit enig misdrijf kwam, maar niet noodzakelijkerwijs uit eigen misdrijf.
Het cassatieberoep faalt omdat het hof zijn oordeel begrijpelijk heeft gemotiveerd en het ontbreken van een verklaring voor het deel van €3.100,- het vermoeden van witwassen rechtvaardigt. De Hoge Raad bevestigt daarmee het arrest van het hof en wijst het beroep af.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de bewezenverklaring van witwassen van €3.100,- en verwerpt het cassatieberoep.