Uitspraak
wonende te [woonplaats], België,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het incidentele verzoek en de incidentele vordering
4.Beslissing
12 juni 2015.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze cassatieprocedure gaat het om een incident waarin de erven van wijlen [A] verzoeken dat de vereffenaar, mr. J.P. Loof, de procedure overneemt die door de erven namens [A] is voortgezet na diens overlijden. Tevens is er een incidentele vordering tot zekerheidstelling voor proceskosten door de eiser tot cassatie, die in België woont.
De procedure betreft een langdurig geschil tussen [eiser] en de nalatenschap van [A] over een overeenkomst van 22 april 2004, waarbij [A] een schadevergoeding aan [eiser] zou betalen. Na het overlijden van [A] namen de erven de procedure over, maar de vereffenaar werd benoemd en de erven zijn niet langer bevoegd om in rechte op te treden.
De Hoge Raad oordeelt dat de vereffenaar op grond van de wet (art. 4:203 lid 2 en Pro art. 4:211 lid 2 BW Pro) de erven in rechte moet vervangen en stelt hem in de gelegenheid om de procedure over te nemen. Daarnaast wijst de Hoge Raad de vordering tot zekerheidstelling af omdat de eiser Belgisch onderdaan is met woonplaats in België, waardoor op grond van art. 17 lid 1 van Pro het Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954 geen zekerheidstelling kan worden opgelegd.
De kosten van het geding in cassatie worden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. Het arrest bevestigt de rechtspositie van de vereffenaar en beschermt de procespartij tegen onterechte zekerheidstelling bij internationale procedures.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de vordering tot zekerheidstelling af en stelt de vereffenaar in de gelegenheid de procedure over te nemen.