Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
26 mei 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij werd veroordeeld voor openlijke geweldpleging in vereniging. Het hof had bewezen verklaard dat verdachte samen met anderen stenen had gegooid tegen een woning.
De Hoge Raad oordeelt dat het begrip "in vereniging" in art. 141 Sr Pro inhoudt dat de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage moet leveren, ook al hoeft die bijdrage niet gewelddadig te zijn. Louter aanwezig zijn in een groep die geweld pleegt is niet voldoende.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte juist probeerde medeverdachten te weerhouden van verdere vernielingen en zelf geen steen gooide. Daarom is de bewezenverklaring dat hij in vereniging geweld heeft gepleegd niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
De Hoge Raad vernietigt het arrest voor dit onderdeel en de strafoplegging en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest voor het onderdeel openlijke geweldpleging in vereniging wegens onvoldoende bewijs en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.