Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding
2.Het tweede geding in cassatie
4.Beslissing
22 mei 2015.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de vrouw cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van het gerechtshof Den Haag, die was gegeven in een procedure over personen- en familierecht. De zaak betreft onder meer de vertegenwoordiging van een partij door een advocaat ter terechtzitting en de omvang van de rechtsstrijd na cassatie en verwijzing.
De man, als verweerder in cassatie, heeft geen verweerschrift ingediend. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep moet worden verworpen. De advocaat van de vrouw heeft hierop gereageerd, maar de Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie, met name de beschikking van 8 december 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AZ0760), en stelt dat de klachten geen rechtsvragen bevatten die beantwoording behoeven in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Daarom wordt het cassatieberoep verworpen en blijft de beschikking van het hof in stand. De uitspraak is gedaan door de raadsheren Streefkerk, Snijders en Polak en in het openbaar uitgesproken door raadsheer de Groot.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen en de beschikking van het gerechtshof blijft in stand.