Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
12 mei 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van mishandeling. Het bewezenverklaarde omvatte het opzettelijk stompen, slaan, haren trekken en schoppen van het slachtoffer, waarbij letsel en pijn werden toegebracht.
De Hoge Raad verduidelijkt dat mishandeling in de zin van art. 300 Sr Pro niet alleen het toebrengen van lichamelijk letsel of pijn omvat, maar ook het veroorzaken van hevige onlustgevoelens aan het lichaam zonder rechtvaardigingsgrond. De verdediging stelde dat de bewezenverklaring expliciet het wederrechtelijke karakter moest vermelden, maar dit werd verworpen.
Ten aanzien van de procedure werd vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden, waardoor de Hoge Raad de opgelegde gevangenisstraf van 268 dagen, waarvan 180 voorwaardelijk, heeft verminderd tot 261 dagen met een proeftijd van twee jaar.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de straf en verwierp het beroep voor het overige. Hiermee werd het hofarrest in stand gelaten met een aangepaste strafmaat.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot 261 dagen waarvan 180 voorwaardelijk wegens overschrijding van de redelijke termijn.