Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
12 mei 2015.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond verdachte terecht wegens poging tot zwaar lichamelijk letsel door met hoge snelheid in te rijden op personen bij wegwerkzaamheden.
Tijdens het hoger beroep verzocht de verdediging om het horen van een getuige die volgens een andere getuige de bestuurder van de auto zou zijn geweest. Na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof onderzoek gedaan naar de personalia van deze getuige en vastgesteld dat deze persoon reeds vóór het tenlastegelegde feit was overleden.
Het hof oordeelde dat heropening van het onderzoek niet nodig was omdat het horen van de overleden getuige niet mogelijk was en verdachte daardoor geen belang had bij heropening. De verdediging stelde dat het niet heropenen van het onderzoek tot nietigheid leidde, maar de Hoge Raad verwierp dit verweer.
De Hoge Raad bevestigde dat niet-naleving van het voorschrift dat de rechter beraadslaagt na het onderzoek ter terechtzitting niet automatisch nietigheid tot gevolg heeft, tenzij verdachte daardoor in zijn belang is geschaad. Gezien de omstandigheden was het oordeel van het hof begrijpelijk en niet onjuist. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het niet heropenen van het onderzoek na OTTZ geen nietigheid oplevert indien verdachte niet in zijn belang is geschaad.