ECLI:NL:HR:2015:105

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 januari 2015
Publicatiedatum
22 januari 2015
Zaaknummer
14/02830
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 25 april 2014, waarin het hoger beroep tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag werd behandeld. De zaak betrof een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en een daarbij behorende boetebeschikking opgelegd aan belanghebbende.

De Hoge Raad ontving het verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën en beoordeelde de aangevoerde klachten. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie oordeelde de Hoge Raad dat de klachten niet tot cassatie konden leiden, omdat zij geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president Overgaauw als voorzitter en raadsheren Van Vliet en Punt, in aanwezigheid van de waarnemend griffier Cichowski, op 23 januari 2015.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van relevante rechtsvragen.

Uitspraak

23 januari 2015
Nr. 14/02830
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 25 april 2014, nr. BK-13/00673, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 12/11428) betreffende de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikking.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2015.