Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
15 april 2014.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 4 december 2012. De verdediging, vertegenwoordigd door advocaten mr. D. Moszkowicz en mr. J.W.E. Luiten, heeft middelen van cassatie ingediend. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad heeft de middelen beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering was geen nadere motivering vereist, omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Daarop heeft de Hoge Raad het beroep verworpen en het arrest van het Gerechtshof in stand gelaten. Het arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 15 april 2014.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen zonder nadere motivering.