Uitspraak
wonende te [woonplaats]
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
11 april 2014.
Hoge Raad
De moeder verzocht de rechtbank om toestemming te verhuizen met haar minderjarige kinderen van Apeldoorn naar Grathem, waar haar nieuwe partner met zijn kinderen woont. De vader verleende geen toestemming en bestreed het verzoek. De rechtbank wees het verzoek af, en het hof bekrachtigde deze beslissing. Het hof oordeelde dat de relatie tussen de moeder en haar partner nog onvoldoende bestendig was en dat de belangen van de kinderen, die in Apeldoorn waren opgegroeid en daar sociale contacten hadden, zwaarder wogen dan het belang van de moeder bij verhuizing.
De moeder stelde in cassatie dat het hof onjuiste maatstaven had gehanteerd en zich had gebaseerd op niet-objectief verifieerbare omstandigheden. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat de rechter bij beslissingen op grond van art. 1:253a BW alle omstandigheden mag meewegen, ook die niet objectief verifieerbaar zijn.
Verder stelde de moeder dat het hof ten onrechte oordeelde over de samenvoeging van gezinnen en daarmee zijn bevoegdheid had overschreden, wat een schending van het recht op privé- en gezinsleven zou opleveren. De Hoge Raad oordeelde dat het hof juist de belangen van de kinderen en de moeder had afgewogen en geen ongeoorloofde inmenging had gepleegd.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het oordeel van het hof dat het belang van de kinderen om in Apeldoorn te blijven zwaarder weegt dan het belang van de moeder bij verhuizing naar Grathem.
Uitkomst: Het verzoek van de moeder om toestemming tot verhuizing met de kinderen naar Grathem is afgewezen omdat het belang van de kinderen om in Apeldoorn te blijven zwaarder weegt.