Belanghebbenden hebben beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage inzake navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en vermogensbelasting over de jaren 1990-2000 en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. De navorderingsaanslagen zijn gebaseerd op een model uit het Rekeningenproject.
Het Hof oordeelde dat de berekening van de navorderingsaanslagen niet onredelijk was, ondanks een geconstateerde inconsistentie in het model door toepassing van zowel de 95%-norm als een factor 1,5. De Hoge Raad stelt echter vast dat het Hof zich onvoldoende heeft uitgelaten over deze inconsistentie en daardoor onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de schatting niet onredelijk is.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie gegrond, vernietigt het Hofarrest voor zover het de navorderingsaanslagen en heffingsrente betreft, en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling. Tevens veroordeelt de Hoge Raad de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten van het cassatieberoep.