ECLI:NL:HR:2014:847

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 april 2014
Publicatiedatum
8 april 2014
Zaaknummer
12/02669
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81.1 ROArt. 6 EVRM
Verwijzingen
3 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, Economische Kamer, waarin een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, was opgelegd.

De Hoge Raad beoordeelde de middelen van cassatie en oordeelde dat de eerste en tweede middelen niet tot cassatie konden leiden. Het derde middel klaagde terecht over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro, doordat stukken te laat door het Hof waren ingezonden.

Gelet op deze overschrijding werd de straf verminderd van achttien maanden naar zeventien maanden en drie weken, waarbij de voorwaardelijke straf van zes maanden met een proeftijd van twee jaren gehandhaafd bleef.

De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf en verwierp het beroep voor het overige. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer op 8 april 2014.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van achttien maanden naar zeventien maanden en drie weken wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

Uitspraak

8 april 2014
Strafkamer
nr. S 12/02669 E
SG/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, Economische Kamer, van 4 mei 2012, nummer 22/006505-08, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. B.P. de Boer en mr. T. de Bont, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het derde middel

3.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2.
Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

4.Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze zeventien maanden en drie weken, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
8 april 2014.