Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid
4.Beslissing
21 maart 2014.
Hoge Raad
In deze zaak heeft verzoekster beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag dat het verzoek tot oplegging van een gedwongen schuldregeling in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) heeft afgewezen, terwijl het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wel was toegewezen.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere uitspraken en stukken van de lagere instanties voor het gedingverloop. De Procureur-Generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RO) het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat verzoekster klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien deze overwegingen en het advies van de Procureur-Generaal wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Het arrest is gewezen door de raadsheren Streefkerk, Heisterkamp en Snijders en in het openbaar uitgesproken door raadsheer de Groot op 21 maart 2014.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.