Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 juli 2013, waarin het hof het hoger beroep behandelde tegen uitspraken van de Rechtbank Leeuwarden over de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2005, inclusief de beschikking inzake heffingsrente.
De Hoge Raad ontving een verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën en een conclusie van repliek van belanghebbende, maar deze werd na de gestelde termijn ingediend en werd daarom niet in behandeling genomen.
De Hoge Raad oordeelde dat het ingediende middel niet tot cassatie kon leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Verder achtte de Hoge Raad geen gronden aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest werd uitgesproken op 14 maart 2014 door raadsheren C. Schaap (voorzitter), M.A. Fierstra en Th. Groeneveld.