Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.Beoordeling van het derde middel
4.Slotsom
5.Beslissing
14 januari 2014.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem waarin een bijzondere voorwaarde werd opgelegd dat de verdachte zich gedurende maximaal twee jaren na detentie moest melden bij de reclassering. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van dit onderdeel van het arrest wegens een misslag in de bepaling van de maximale duur van deze voorwaarde.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof artikel 14c, tweede lid onder 5°, van het oude Wetboek van Strafrecht heeft geschonden door de maximale duur van de meldplicht onjuist vast te stellen. De Hoge Raad herstelde deze misslag door de maximale duur te corrigeren naar de resterende duur van de proeftijd, zoals de wet voorschrijft.
De overige middelen van cassatie werden verworpen omdat deze geen aanleiding gaven tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het arrest van het hof werd vernietigd voor zover het de maximale duur van de meldplicht betrof en in die zin hersteld. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Dit arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 14 januari 2014.
Uitkomst: De Hoge Raad herstelt de maximale duur van de meldplicht bij de reclassering tot maximaal de resterende duur van de proeftijd en vernietigt het arrest van het hof voor zover dit anders bepaalde.