Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Centrale Raad van Beroepvan 13 september 2013, nr. 12/5551 AOW, betreffende een verzoek tot herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van 17 augustus 2012, nr. 10/5347 AOW.
Hoge Raad
In deze zaak stond een beroep in cassatie centraal tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep inzake een verzoek tot herziening van een eerdere AOW-uitspraak. De Hoge Raad heeft beoordeeld of het cassatieberoep ontvankelijk was.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit was omdat de partij die het cassatieberoep had ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang had bij het beroep, dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie konden leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal werd het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest werd uitgesproken op 7 maart 2014 door de raadsheren Schaap, van Loon en Groeneveld.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang of omdat de klachten geen cassatie kunnen rechtvaardigen.