Uitspraak
1.Het verzoek
2.De conclusie van de Procureur-Generaal
3.Beoordeling van het verzoek
4.Beslissing
4 maart 2014.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 4 maart 2014 een beschikking gegeven in een zaak waarin de Hoofdofficier van Justitie te Noord-Nederland verzocht om aanwijzing van een ander gerecht voor vervolging van een voormalige rechterlijk ambtenaar. Deze ambtenaar was ontslagen uit zijn functie en werd verdacht van het plegen van een strafbaar feit.
De Procureur-Generaal adviseerde het verzoek af te wijzen, maar de Hoge Raad herhaalde de uitleg van artikel 510, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv). Deze bepaling beoogt te waarborgen dat rechterlijke ambtenaren die worden verdacht van strafbare feiten worden vervolgd en berecht door een gerecht van gelijke rang, anders dan het gerecht waarvan zij deel uitmaken of uitmaakten, om de schijn van bevoordeling of benadeling te vermijden.
De Hoge Raad oordeelde dat deze regeling ook geldt voor voormalige rechterlijke ambtenaren die inmiddels ontslagen zijn, maar nog steeds vervolgd moeten worden voor strafbare feiten die zij mogelijk hebben begaan tijdens hun ambtstermijn. Uit het verzoek bleek dat de betrokkene verdachte was en dat hij als rechterlijk ambtenaar in de zin van artikel 510 Sv Pro was aangemerkt.
Daarom wees de Hoge Raad de Rechtbank Noord-Holland aan als gerecht voor vervolging en berechting van de zaak, indien het Openbaar Ministerie dat nodig acht. Hiermee werd het verzoek van de Hoofdofficier van Justitie toegewezen, conform de doelstelling van artikel 510 Sv Pro om een eerlijke en onpartijdige rechtspraak te waarborgen.
Uitkomst: De Hoge Raad wees de Rechtbank Noord-Holland aan als gerecht voor vervolging van de voormalige rechterlijk ambtenaar.