ECLI:NL:HR:2004:AO3669
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- G.J.M. Corstens
- A.J.A. van Dorst
- W.A.M. van Schendel
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Aanwijzing ander gerecht bij vervolging rechterlijk ambtenaar ter voorkoming schijn van bevoordeling
Tegen de betrokkene, een rechterlijk ambtenaar, ontstond op 20 maart 2003 verdenking van een strafbaar feit op grond van verkeerswetgeving. Het bevoegde parket achtte een transactie passend ter voorkoming van strafvervolging.
De kern van de zaak betrof de uitleg en toepassing van art. 510 Sv Pro, dat waarborgt dat rechterlijk ambtenaren bij vervolging niet de schijn van bevoordeling of benadeling krijgen. Dit geldt zowel voor vervolging als voor het aanbieden van een transactie. Het OM moet daarom een verzoek indienen tot aanwijzing van een ander gerecht wanneer een rechterlijk ambtenaar als verdachte wordt aangemerkt, zodat een onafhankelijke instantie beslist over de vervolging.
De Hoge Raad oordeelde dat het verzoek tot aanwijzing van een ander gerecht vatbaar is en wees de rechtbank Utrecht aan voor de vervolging en berechting van de betrokkene. Hiermee wordt de integriteit van het strafproces gewaarborgd en het vertrouwen in de rechtspraak beschermd.
Uitkomst: De Hoge Raad wees de rechtbank Utrecht aan voor vervolging van de rechterlijk ambtenaar om de schijn van bevoordeling te vermijden.