Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Beoordeling van de middelen voor het overige
4.Beslissing
4 maart 2014.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of een raptekst waarin bedreigingen werden geuit aan het adres van Tweede Kamerlid Geert Wilders strafbaar was als bedreiging gericht tegen het leven. De verdachte werd door het hof veroordeeld voor het uiten van deze bedreigingen, ondanks dat hij stelde dat het hier ging om een kunstuiting binnen de rapcultuur en dat hij zijn mening op deze wijze wilde uiten.
De verdediging voerde aan dat de vrijheid van meningsuiting, zoals beschermd door artikel 10 EVRM Pro, bescherming biedt aan kunstuitingen die confronteren en shockeren. Ook werd aangevoerd dat een politicus als Wilders een dikkere huid moet hebben en meer kritiek moet kunnen verdragen. Het hof verwierp deze verweren en oordeelde dat de bedreigende aard van de uitlatingen zwaarder woog dan de artistieke context.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en stelde dat het enkele feit dat de bedreigingen in de vorm van een rapkunstwerk zijn geuit, geen rechtvaardiging biedt voor het overschrijden van de grenzen van de vrijheid van meningsuiting. Ook het argument dat een Tweede Kamerlid meer kritiek moet kunnen verdragen, werd door het hof en de Hoge Raad verworpen. Het beroep in cassatie werd verworpen, waarmee de veroordeling stand hield.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigde de veroordeling van de verdachte voor bedreiging gericht tegen het leven van Geert Wilders via een raptekst.