Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.Beslissing
19 december 2014.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vaststelling van de draagkracht voor kinderalimentatie centraal, waarbij het hof Amsterdam de draagkracht had vastgesteld op basis van het Rapport Alimentatienormen 2013-2, inclusief de forfaitaire woonlasten en de aanvaardbaarheidstoets. De vrouw stelde beroep in cassatie in tegen deze beschikking van het hof, terwijl de man voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep instelde.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van de vrouw verworpen en het voorwaardelijk incidentele beroep van de man niet inhoudelijk behandeld omdat het principale beroep faalde. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen aanleiding geven tot cassatie, mede omdat zij geen rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten, zoals bedoeld in artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
De beschikking van het hof, waarin de draagkrachtberekening werd bevestigd, blijft daarmee in stand. De Hoge Raad verwijst naar de eerdere beschikking van de rechtbank Alkmaar en de beschikkingen van het hof Amsterdam als onderdeel van het geding in feitelijke instanties. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken door raadsheer G. de Groot.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de vaststelling van de draagkracht voor kinderalimentatie door het hof.