Uitspraak
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 24 oktober 2013, nr. 13/00170, betreffende een beschikking inzake de omzetbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende kocht in december 2007 een motorpassagiersschip van een failliete vennootschap, waarbij de levering en facturering in januari 2008 plaatsvonden. De factuur vermeldde omzetbelasting die belanghebbende aftrok in zijn aangifte. De Inspecteur stelde dat op grond van een wijziging in het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting (artikel 24ba) de koper, niet de verkoper, de omzetbelasting was verschuldigd vanwege uitwinning van het schip.
Het Hof oordeelde dat de verleggingsregeling van toepassing is op leveringen na 1 januari 2008, ook als de koopovereenkomst daarvoor is gesloten, en dat dit geen terugwerkende kracht betreft. Belanghebbende stelde dat dit in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel en de redelijkheid en billijkheid, omdat hij de overeenkomst niet eenzijdig kon aanpassen.
De Hoge Raad verwierp deze middelen en wees op artikel 53 Wet Pro OB, dat bepaalt dat een afnemer bij een vóór de wijziging gesloten overeenkomst het teveel betaalde omzetbelastingbedrag kan terugvorderen. Hierdoor is geen sprake van schending van rechtszekerheid of onredelijkheid. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de toepassing van de verleggingsregeling omzetbelasting bij levering na wijziging Uitvoeringsbesluit.