Uitspraak
1.De procedure
2.Beoordeling van het wrakingsverzoek
3.Beslissing
5 december 2014.
Hoge Raad
Verzoeker heeft namens belanghebbende beroep in cassatie ingesteld en vervolgens een wrakingsverzoek ingediend tegen raadsheer mr. M.A. Fierstra, die betrokken is bij de behandeling van de zaak. Het wrakingsverzoek bevatte meerdere ernstige beschuldigingen, waaronder het frustreren van een goede rechtsgang, minachting van EU-recht en het EVRM, ambts- en machtsmisbruik en schending van het verbod op willekeur.
De Hoge Raad heeft het verzoek beoordeeld en vastgesteld dat de aangevoerde gronden grotendeels een herhaling zijn van eerdere wrakingsverzoeken die reeds ongegrond zijn verklaard. Bovendien zijn de beschuldigingen niet concreet onderbouwd met feiten of omstandigheden die de onpartijdigheid van de raadsheer in twijfel zouden kunnen trekken.
Daarom is het wrakingsverzoek afgewezen. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat verzoeker zijn bevoegdheid tot het indienen van wrakingsverzoeken misbruikt en bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen. De beslissing is genomen door de Vierde kamer van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2014.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen raadsheer Fierstra wordt afgewezen en een volgend wrakingsverzoek wordt niet in behandeling genomen wegens misbruik van bevoegdheid.