Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
2 december 2014.
Hoge Raad
De verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor schuldheling van een kentekenplaat die hij tussen 21 en 24 november 2012 te Amersfoort verwierf en voorhanden had. Het hof baseerde zijn oordeel op verklaringen van getuigen, bewakingsbeelden en politieverklaringen die de aanwezigheid van de verdachte met de kentekenplaat bevestigden.
De Hoge Raad oordeelde echter dat uit de gebruikte bewijsmiddelen niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Deze essentiële bestanddeel van schuldheling was onvoldoende bewezen verklaard.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest voor zover het de schuldheling en de strafoplegging betreft en verwees de zaak terug naar het gerechtshof voor hernieuwde berechting. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak benadrukt het belang van een deugdelijke motivering en bewijsvoering omtrent het vermoeden van schuld bij schuldheling.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest voor schuldheling kentekenplaat en wijst zaak terug voor hernieuwde berechting.