De verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor schuldheling van een kentekenplaat en diefstal van benzine, met oplegging van een taakstraf en een geldvordering. De verdachte stelde cassatie in tegen de bewezenverklaring van schuldheling, stellende dat het bewijs onvoldoende was om aan te tonen dat hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het kentekenplaat een door misdrijf verkregen goed was.
De Hoge Raad oordeelde dat uit de gebruikte bewijsmiddelen niet kon worden afgeleid op welke feiten of omstandigheden de verdachte deze redelijke vermoedens had moeten baseren. Hierdoor was de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd. Er werden geen andere gronden gevonden om het arrest te vernietigen.
De Hoge Raad vernietigde het arrest voor zover het de bewezenverklaring en strafoplegging betreft en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling binnen het bestaande hoger beroep. De overige onderdelen van het arrest bleven ongewijzigd.