Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Centrale Raad van Beroepvan 29 april 2014, nr. 12/6281 WWB, betreffende een besluit op grond van de Wet werk en bijstand.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de belanghebbende beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 april 2014, betreffende een besluit op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).
De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie beoordeeld op ontvankelijkheid en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat de belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Op basis van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest is op 28 november 2014 in het openbaar uitgesproken door de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra en Th. Groeneveld.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.