Uitspraak
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
21 november 2014.
Hoge Raad
Eiseres sloot in juni 2008 een deposito-overeenkomst met DSB Bank met een looptijd van tien jaar en een rente van 7,5%. De AFM startte in het derde kwartaal van 2008 een onderzoek naar de informatievoorziening van DSB over deze achtergestelde deposito’s en drong aan op aanscherping van de informatieverstrekking. DSB werd in oktober 2009 failliet verklaard.
Eiseres stelde dat AFM onrechtmatig had gehandeld door niet eerder en adequater toezicht te houden en DSB te verplichten tot betere informatieverstrekking, waardoor zij schade leed. De rechtbank oordeelde dat AFM onrechtmatig had gehandeld, maar het hof vernietigde dit oordeel en wees de vordering af, stellende dat geen onmiskenbare overtreding van de Wet financieel toezicht (Wft) bestond en dat AFM beleids- en beoordelingsvrijheid toekomt.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof dat AFM niet onrechtmatig heeft gehandeld. De toezichthouder heeft een ruime beoordelingsvrijheid en dient belangen van cliënten, de bank en de maatschappij af te wegen. Het toezicht kan niet garanderen dat faillissementen worden voorkomen. De informatievoorziening door DSB voldeed aan de wettelijke normen en er was geen aanleiding tot strengere maatregelen door AFM. Het cassatieberoep wordt verworpen en eiseres wordt in de kosten veroordeeld.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en AFM is niet aansprakelijk voor onrechtmatig toezicht op DSB Bank.