Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 12 juni 2013, nr. BK-13/00139, betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2009 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
Hoge Raad
In deze zaak heeft belanghebbende cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 12 juni 2013, betreffende de belastingaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2009.
De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie inhoudelijk niet behandeld omdat hij van oordeel is dat de aangevoerde klachten geen behandeling rechtvaardigen. Dit is omdat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal is het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest is op 14 februari 2014 in het openbaar uitgesproken door de vice-president Overgaauw als voorzitter en de raadsheren Koopman en van Kalmthout.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.