Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
11 november 2014.
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van de strafoplegging en vermindering van de straf, maar tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden, maar dat ambtshalve moest worden beoordeeld of de redelijke termijn was overschreden. Gezien de voorlopige hechtenis van de verdachte en het feit dat meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, was sprake van overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro.
Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vier jaar naar drie jaar en tien maanden. De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en verwierp het beroep voor het overige.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd van vier jaar naar drie jaar en tien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.