In deze zaak heeft de Hoge Raad op 19 september 2014 een arrest gewezen in een cassatieprocedure tussen Erno Rubik en Beckx Trading & Co B.V. c.s. In dat arrest werd Rubik in het principale beroep in het ongelijk gesteld en Beckx c.s. in het incidentele beroep. Tevens werd een proceskostenveroordeling uitgesproken.
Na het arrest verzocht de advocaat van Beckx c.s. de Hoge Raad om herstel van het arrest op het punt van de proceskostenveroordeling. Rubik maakte bezwaar tegen dit verzoek. De Hoge Raad constateerde een misslag in de toerekening van het gevorderde bedrag van €17.996,38 aan proceskosten, dat betrekking had op zowel het principale als het incidentele beroep.
De Hoge Raad besloot het arrest te herstellen door het bedrag van €17.996,38 te splitsen over beide beroepen. Omdat partijen hierover niet hadden gerapporteerd, bracht de Hoge Raad ambtshalve een splitsing aan waarbij een derde van het bedrag werd toegerekend aan het incidentele beroep. Vervolgens werd de proceskostenveroordeling in het incidentele beroep aangepast tot €68,07 aan verschotten en €5.998,79 aan salaris.
Het arrest werd op 17 oktober 2014 gewezen door de vice-president Bakels als voorzitter en raadsheren Van Buchem-Spapens, Streefkerk, Heisterkamp en Snijders, en in het openbaar uitgesproken door vice-president Numann.