Belanghebbende, een vennootschap met datacenters als bedrijfsvermogen, kocht een eigen aandeel in haar aandelenkapitaal. De vraag was of dit aandeel een fictieve onroerende zaak vormt in de zin van artikel 4, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wet BRV), waardoor overdrachtsbelasting zou zijn verschuldigd.
Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat de exploitatie van de datacenters door belanghebbende niet hoofdzakelijk bestond uit handel in of exploitatie van onroerende zaken, maar dat de dienstverlening rondom continue stroomvoorziening, koeling en databeveiliging centraal stond. Deze diensten overtroffen het belang van het ter beschikking stellen van ruimte. Daarom was het ingekochte aandeel geen fictieve onroerende zaak.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën. De omstandigheid dat technische voorzieningen onroerend zijn in de zin van het Burgerlijk Wetboek, leidde niet tot een ander oordeel. De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten.