ECLI:NL:HR:2014:2850

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 september 2014
Publicatiedatum
30 september 2014
Zaaknummer
13/04599
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing beroep in cassatie inzake overschrijding redelijke termijn bij profijtontneming

De zaak betreft een cassatieberoep van betrokkene tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Betrokkene stelde dat het hof ten onrechte volstond met een constatering van overschrijding van de redelijke termijn zonder verdere rechtsgevolgen.

De Hoge Raad overwoog dat op grond van eerdere jurisprudentie (HR 17 juni 2008 en HR 11 februari 2014) het middel terecht was voorgesteld, maar dat dit niet tot cassatie leidt. Dit omdat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niet vermeldt dat betrokkene of zijn gemachtigde geklaagd heeft over de termijnoverschrijding, zodat aangenomen moet worden dat betrokkene niet langer dan redelijk onder dreiging van strafvervolging heeft geleefd.

De Hoge Raad bevestigt hiermee dat de enkele constatering van overschrijding van de redelijke termijn in een ontnemingszaak het passende rechtsgevolg is, tenzij tijdig en expliciet bezwaar is gemaakt. Het beroep wordt daarom verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de overschrijding van de redelijke termijn geen rechtsgevolg heeft zonder tijdige klacht.

Uitspraak

30 september 2014
Strafkamer
nr. 13/04599 P
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 9 september 2013, nummer 23/001097-07, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene 4], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. P.H.L.M. Souren, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat in een ontnemingszaak als de onderhavige, waarin de redelijke termijn is overschreden, de enkele constatering van die overschrijding het passende rechtsgevolg is van die overschrijding.
2.2.
Op de gronden die zijn vermeld in HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 en waarnaar is verwezen in HR 11 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:296, NJ 2014/135 is het middel terecht voorgesteld.
2.3.
De gegrondheid van het middel leidt nochtans niet tot cassatie. De Hoge Raad neemt daartoe in aanmerking dat de bestreden uitspraak op tegenspraak is gewezen doch het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niet inhoudt dat aldaar door of namens de betrokkene is geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop vóór die terechtzitting, zodat in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat zo een verweer niet is gevoerd en bijgevolg moet worden aangenomen dat de betrokkene niet langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging heeft geleefd en van een inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM geen sprake is (vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, rov. 3.9).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
30 september 2014.