ECLI:NL:HR:2014:2690

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 september 2014
Publicatiedatum
18 september 2014
Zaaknummer
13/02754
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt ongegrondverklaring beroep in cassatie inzake aanslag inkomstenbelasting 2001

De Staatssecretaris van Financiën stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 25 april 2013, waarin een uitspraak van de Rechtbank Breda werd bevestigd over een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2001 opgelegd aan belanghebbende.

In de cassatieprocedure heeft de Staatssecretaris één middel voorgesteld, waarop belanghebbende een verweerschrift indiende. Na repliek en dupliek concludeerde de Hoge Raad dat het middel niet tot cassatie kon leiden. Dit oordeel werd genomen zonder nadere motivering, omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten van de cassatieprocedure, waarbij rekening werd gehouden met samenhangende zaken. Het griffierecht werd eveneens opgelegd aan de Staatssecretaris. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2014.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën is ongegrond verklaard en deze is veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

12 september 2014
Nr. 13/02754
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof’s-Hertogenboschvan 25 april 2013, nr. 12/00136, op het hoger beroep van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank te Breda (nr. AWB 10/947) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2001 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij één middel voorgesteld.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.

2.Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met nummers 13/02755 en 13/02757 met de onderhavige zaak samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op een derde van
€ 2922, derhalve € 974, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren R.J. Koopman en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2014.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 478.