Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
7 februari 2014.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van eiser verworpen. Het geschil betrof een incidentele vordering tot zekerheidsstelling van proceskosten op grond van artikel 224 Rv Pro in samenhang met artikel 414 Rv Pro. De vraag speelde of een partij zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland aan deze zekerheidsstelling kan worden gehouden.
De Hoge Raad verwijst naar een eerder arrest in dezelfde zaak van 12 juli 2013, dat aan dit arrest is gehecht, en volgt de conclusie van de Advocaat-Generaal die tot verwerping van het beroep strekt. De klachten van eiser leiden niet tot cassatie omdat zij geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen.
De Hoge Raad veroordeelt eiser in de kosten van het cassatiegeding, begroot op een bedrag van € 2.999,34. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken door de vice-president op 7 februari 2014.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.