Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de overige middelen
3.Beslissing
26 augustus 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 13 december 2013 inzake verzoeken van de Republiek Turkije tot uitlevering van een persoon geboren in 1973. Het beroep werd ingesteld door de opgeëiste persoon, bijgestaan door een advocaat.
De Hoge Raad heeft op 17 juni 2014 reeds geoordeeld dat een aantal middelen niet tot cassatie kunnen leiden en heeft de Advocaat-Generaal gevraagd zich uit te laten over de overige middelen. De Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep, waarop de raadsman schriftelijk reageerde.
De Hoge Raad oordeelt dat de overige middelen eveneens niet tot cassatie kunnen leiden en ziet geen aanleiding tot nadere motivering omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde zijn.
Daarom wordt het beroep verworpen en blijft de uitleveringsuitspraak van de Rechtbank Den Haag in stand.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en de uitleveringsuitspraak van de Rechtbank Den Haag blijft in stand.