ECLI:NL:HR:2014:1647

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 juli 2014
Publicatiedatum
10 juli 2014
Zaaknummer
13/03339
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.65 lid 4 Wet inkomstenbelasting 2001Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond in belastingrechtelijke zaak

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 juni 2013, waarin het hoger beroep van de Inspecteur en het incidentele hoger beroep van belanghebbende werden behandeld over een beschikking op grond van artikel 3.65, lid 4, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

De Hoge Raad ontving het verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën en heeft de ingediende middelen beoordeeld. De middelen konden niet leiden tot cassatie, omdat zij geen rechtsvragen bevatten die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling, zoals bedoeld in artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad zag geen aanleiding tot het opleggen van proceskosten en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest werd op 11 juli 2014 in het openbaar uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

11 juli 2014
Nr. 13/03339
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 4 juni 2013, nr. 12/00147, op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Leeuwarden (nr. AWB 10/1599) betreffende de aan belanghebbende gerichte beschikking als bedoeld in artikel 3.65, lid 4, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren R.J. Koopman en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2014.