Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Slotsom
4.Beslissing
1 juli 2014.
Hoge Raad
Op 22 maart 2011 sloeg verdachte zijn echtgenote meerdere malen met een hamer op het hoofd en kneep haar daarna de keel dicht, met de bedoeling haar van het leven te beroven. Het hof verklaarde bewezen dat verdachte met voorbedachte raad handelde, waarbij het hof oordeelde dat verdachte zich gedurende het lopen van de hal naar de woonkamer kon beraden over zijn daad.
De Hoge Raad stelt dat voorbedachte raad vereist dat verdachte de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en gevolgen van zijn daad en zich daarvan rekenschap te geven. Hoewel het hof dit als objectieve aanwijzing aanvoerde, heeft het onvoldoende gemotiveerd waarom deze gelegenheid zich in het bijzonder tijdens het lopen van de hal voordeed en heeft het niet afdoende contra-indicaties overwogen.
De Hoge Raad benadrukt dat het enkel ontbreken van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling niet automatisch voorbedachte raad betekent en dat de motivering van het hof ontoereikend is. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling op het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof wegens onvoldoende motivering omtrent voorbedachte raad en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.